Waarom de Duitsers wel winnen (4) voetbal als spiegel van de maatschappij

Wat hebben de cultuurverschillen en de vijf dimensies met voetbal te maken? ‘Voor mij is voetbal een spiegel van de maatschappij’, aldus ex-voetballer Dieter Hoeneß (de eveneens voetballende broer van Uli Hoeneß) Zo is het maar net! Neem machtsafstand. In Duitsland staan voetballers in hoger aanzien dan in Nederland. Het volgende citaat van Hans Meyer, voormalig trainer van FC Twente spreekt wat dat betreft boekdelen: ‘Het is grappig als een jochie van tien op Ruud Gullit afstapt en zegt: “hé Ruud, doe me eens een handtekening”. In Duitsland stottert de geleerde professor tegen de voetballer van net twintig of deze alstublieft met hem op de foto wil.’  In voetbalprogramma’s wordt in Duitsland nog keurig Herr Netzer en ‘Sie’, gebruikt, zelfs als interviewer en analist al vele jaren gezamenlijk op de buis te zien zijn. Zakelijk en privé wordt strikt gescheiden gehouden. Afstand behouden blijft een belangrijk aspect in het werkzame en dagelijkse leven. Waar de Duitsers wellicht iets doorschieten in het houden van afstand, daar gaan Nederlanders wellicht weer iets te ver in hun populaire aanpak van sporters en trainers. Zonder enig probleem, en wellicht ook op instigatie van de betrokkenen zelf, worden spelers en trainers in programma’s getutoyeerd. In sommige gevallen gaat men zelfs gezamenlijk op vakantie of wordt samen getennist of gegolfd.

Van groter belang voor de voetbalverschillen is de individualistische dimensie, waar Nederlanders duidelijk hoger scoren dan Duitsers. Kijk alleen maar eens naar de wijze waarop de landenteams normaliter zijn opgebouwd. Oranje bestaat vrijwel altijd uit elf spelers die in het buitenland spelen en daar als sterren worden vereerd. De Mannschaft is een hechter collectief, een team, bestaande uit spelers uit de eigen competitie met een beperkt aantal echte sterren (Ballack, Kahn). Het spel van het Nederlands elftal is veel avontuurlijker dan dat van het Duitse elftal, meer gericht op individuele kwaliteiten en acties. Waar de Hollanders bijna allemaal de vrije rol achter de spitsen of de zogenaamde ‘10’ ambiëren, daar zijn de meeste Duitse spelers allang blij dat ze een vaste plaats in het elftal hebben.  Zij offeren zich vaker zonder al te veel problemen op als ze een taak krijgen opgedragen die het team helpt maar hen als individu niet. Denk aan spelers als Berti Vogts, Georg Schwarzenbeck of Dieter Eilts, . spelers die zichzelf in dienst konden stellen van een elftal.

Het is daarentegen een interessant gegeven dat het juist de grote individualisten in het Duitse team zijn geweest, die regelmatig in problemen zijn gekomen. Al in de jaren vijftig was Helmut ‘Der Boss’ Rahn met zijn eigenzinnige optreden een beruchte uitzondering op de regel. Gelukkig voor hem én voor de Duitsers begreep coach Herberger dat juist een individualist als Rahn wedstrijden kon beslissen. Hetgeen bleek tijdens de finale van het WK 1954 toen Rahn tweemaal scoorde. Maar ook andere individualisten hebben het vaak moeilijk gehad in het Duitse team. Wat te denken van Günther Netzer, wellicht de qua voetbal meest Nederlandse Duitser, die door zijn teamgenoten uit 1974 niet meer werd geaccepteerd. Of een toptalent als Bernd Schuster, die zich al heel snel niet meer beschikbaar voor het nationale team stelde en leefde jarenlang op voet van oorlog met zowel de media als de bond leefde. Of Stefan Effenberg en Mario ‘Supermario’ Basler, twee zeer eigenzinnige (en vaak ook irritante) spelers die in eigen land pas na hun carrière bewierookt of gemist werden. Nee. Dan Oranje! We zien niets liever dan elf individualisten die ook nog eens goed moeten kunnen samenspelen. Iedereen moet kunnen ‘meevoetballen’ én tot een individuele actie in staat zijn. Zelfs onze keepers moeten een goede voetballers zijn! Duitsers vinden dat een keeper gewoon ballen tegen moet houden, en vinden de Nederlandse keepers over het algemeen zwak. Meevoetballen hoeft helemaal niet in Duitsland. Ballen stoppen wel.

Ook de verschillen op de masculiene en feminiene schaal komen tot uiting in het voetbal, met name op het aspect van conflicthantering. In het Duitse team komen, zeker ook tot mijn verrassing, minimaal evenveel ruzies en problemen voor als in het Nederlandse kamp. Het grote verschil is dat de Duitsers direct de strijd aangaan en het op een conflict laten aankomen. Om uiteindelijk in het belang van team of land (!) tot een oplossing te komen. De laatste ontwikkelingen rondom de positie van Nationaltrainer Jürgen Klinsmann spreken wat dit betreft boekdelen. Eerst wordt Klinsmann in de pers volledig de grond ingeboord, waarbij werkelijk geen spaan van hem wordt heel gelaten. Na een week besluit iedereen die hieraan heeft meegedaan, van Bild Zeitung tot Franz Beckenbauer en van de politiek tot aan de Deutscher Fußball Bund, om voor de goede zaak toch maar steun te geven aan de plannen en ideeën van hun Nationaltrainer. Een voorbeeld van probleemoplossend vermogen is het verwijderen van de ervaren verdediger Christian Wörns uit de selectie. Nadat Wörns in de pers scherpe kritiek op Klinsmann uit, wordt hij definitief uit den selectie gegooid. Het moet duidelijk zijn wat de regels zijn en het team gaat voor de belangen van een individu. Er zijn sindsdien geen andere spelers geweest die domme uitspraken hebben gedaan.

In de Nederlandse cultuur sudderen problemen veel langer door. Iedereen heeft wel een beetje gelijk en de echte problemen blijven onbesproken totdat het te laat is. Met andere woorden, pas zodra een EK of WK in volle gang is, komen alle problemen boven water. Wat te denken van het WK 1990, toen de spelers bijna werk weigerden omdat ze liever met Johan Cruijff dan met Leo Beenhakker als coach naar de kampioenschappen waren gegaan. Zo zijn er meer voorbeelden te geven. Zoals het terugtrekken van Ruud Gullit vlak voor het WK 1994 in de Verenigde Staten omdat hij het niet eens is met de te volgen tactiek? En herinnert u zich nog ‘De Kabel’? De groep donkere spelers in Oranje (Kluivert, Davids, Seedorf, Bogarde, Reiziger) die vermeende verschillen in aanpak tussen blanke en de donkere spelers aan de kaak stelde en die uiteindelijke tot het naar huis sturen van Edgar Davids leidde? Problemen van deze orde worden door de Duitsers vaker in een eerder stadium herkend, ook al hebben ook zij ervaringen met recalcitrante spelers die tijdens een (wereld)kampioenschap naar huis worden gestuurd (Uli Stein in 1986; Stefan Effenberg in 1994) en ‘spelersopstandjes’ (WK 1994; EK 2000).

Wellicht de cultuurdimensie die voor het grootste verschil tussen beide voetbalculturen zorg draagt is de vermijding van onzekerheid. Het Duitse voetbal wordt gedreven door angst. Waar komt tenslotte anders een woord als ‘Angstgegner’ vandaan? Om hun angsten te beteugelen zoeken Duitsers veiligheid in liefst zo concreet mogelijk beschreven taken, structuren, kaders en duidelijkheid. In ‘Dat zijn nou typisch Duitsers’, overigens geschreven door  twee Duitsers, staat het helder beschreven: ‘Voor een Duitser worden twijfel en angst alleen maar groter en ingewikkelder naarmate hij er langer over nadenkt. Eigenlijk zijn ze stomverbaasd dat alles niet allang op de klippen is gelopen, en ze zijn ervan overtuigd dat dit niet lang meer op zich zal laten wachten. Duitsland is, al puntje bij paaltje komt, het land van Angst. Angst is de basis van hun streven om alles te regelen, te beheersen, na te kijken, nog eens na te kijken, in de gaten te houden, goed te verzekeren en grondig vast te leggen. In het geheim zijn ze ervan overtuigd dat er een hogere intelligentie voor nodig is om ervan doordrongen te zijn hoe gevaarlijk het leven eigenlijk is.’ Kortom, toeval moet in het voetbal worden uitgesloten en de beste manier om dat te doen is door de verdediging van het elftal zo sterk mogelijk te maken. Vroeger door twee strikte mandekkers met een libero in te zetten tezamen met een versterkt en verdedigend ingesteld middenveld, het zogenaamde 3:5:2 systeem. Een modernere variant zoals de ‘viererkette’, het systeem van vier verdedigers (4:4:2) op rij die goed op buitenspel moeten kunnen spelen, staat in Duitsland heftig ter discussie. Het is te ingewikkeld en de Duitse teams krijgen te veel tegendoelpunten. Dat kan natuurlijk niet, want voor je het weet scoort de tegenstander vaker dan het eigen team. Om de onzekerheid te beperken, wordt nadrukkelijk op de best trainbare aspecten van het voetbal getraind, zoals de conditie. En natuurlijk op standaardsituaties, zoals vrije trappen, hoekschoppen en…strafschoppen.

Er mag best verloren worden van teams die superieur zijn op technisch vlak, maar niet doordat de voorbereiding slecht was. Teams die technisch beter zijn, vormen ook direct de selecte groep van‘Angstgegner’ voor de Duitsers. Natuurlijk hoort Brazilië daarbij, maar de Duitsers beseffen drommels goed dat daarvan verliezen geen schande is. Ook Engeland behoort tot het groepje landen waarvan verloren kan en mag worden, want Duitsers kijken erg op tegen de Britten voor wie ze tenslotte het koningshuis in stand hebben gehouden! Maar verliezen van Holland, dat is eigenlijk onbegrijpelijk voor de gemiddelde Duitser. Wat moet zo’n klein landje eigenlijk tussen de (voetbal)grootmachten?  Oranje is niet meer zomaar te verslaan door de voormalige voetbalgrootmacht. Dat maakt de Duitsers angstig, want er kan geen verzekering tegen verlies worden afgesloten en ‘Structur und Ordnung’ helpen ook al niet meer. Hoe moet je geordend spelen tegen die chaoten die voor Oranje uitkomen, met spelers die altijd individuele acties hebben die niet te voorspellen zijn? Daar is geen peil op te trekken en dat vormt direct een groot probleem. Want in chaos functioneert orde nu eenmaal uitermate slecht. Waar de Nederlanders uitgaan van hun eigen sterkten, en zich niet al te veel aantrekken van de tegenstanders, daar proberen de Duitsers zoveel mogelijk de eigen zwakten te verbloemen en stellen zij zich per definitie in op de tegenstander.

De laatste cultuurdimensie, de focus op de lange termijn, is zeker in het voetbal een relatief begrip. Wie als trainer tenslotte drie wedstrijden achter elkaar verliest, is werkloos. We weten echter nu al dat de organisatie van het WK in Duitsland perfect zal zijn, de stadions zijn tenslotte allemaal al ruim een jaar geleden opgeleverd (vergelijk dat eens met de planning van het nieuwe Wembley, dat een jaar is uitgesteld), en reken erop dat alles zal functioneren zoals het hoort. Van paniekvoetbal is dus geen sprake, zeker niet bij de DFB. Alles wat planbaar is, is fantastisch gelukt. Maar successen zijn wat minder planbaar, en dan gaat het mis. Sinds 2000 heeft het Duitse elftal geen wedstrijd tegen een top 10 land uit Europa meer gewonnen.  In de voorbereiding verliest het team van Klinsmann volslagen kansloos van Italië, en erger nog, het laat een desolate indruk achter. Het land, lees Bild Zeitung, valt over de bondscoach heen. Het ontbreekt het team aan alles, inzet, vechtlust, loopvermogen, creativiteit en ga zo maar verder. En daar komt het, de angst slaat de Duitsers in de benen: “straks worden we uitgeschakeld in de groepsfase!”

Het pleit voor de DFB dat men in een dergelijke periode vasthoudt en steun geeft aan de zittende coach. Een van de factoren die heeft bijgedragen aan de successen van Duitsland in de afgelopen vijftig jaar is de loyaliteit van bond en spelers aan een zeer beperkt aantal trainers. Sinds 1923 hebben slechts negen coaches het Duitse elftal onder hun hoede gehad. De periode van aanstelling wordt dan weliswaar de laatste jaren steeds korter, de visie van Herberger is wel steeds terug te vinden bij de coaches die na hem de scepter over het team zwaaiden. Zoals bij zijn leerling Schön, die deze kennis weer doorgaf aan zijn leerling Derwall. Ook beste scholier Franz Beckenbauer leidde het nationale elftal van 1984 tot 1990 en werd er wereldkampioen mee. Opvolgers als Vogts, Völler, Klinsmann kunnen net zo goed beschouwd worden als directe ‘afstammelingen’ van de leer van Herberger. Enige uitzondering is de periode onder Erich Ribbeck (1998-2000), die direct als grote mislukking in de boeken staat.

De lange termijn visie van Duitser blijkt uit het aanblijven van Jürgen Klinsmann en het vertrouwen dat de bond in hem uitspreekt, ondanks de tegenvallende resultaten, zijn afwezigheid bij belangrijke bijeenkomsten en niet altijd even gelukkige communicatie met pers of spelers. Vergelijk dat eens met het aantal bondscoaches dat Nederland heeft gehad sinds 1923. Inclusief diverse vervangingen voor één of enkele wedstrijden heeft Oranje in deze periode 38 bondscoaches gehad, waarvan sommigen meerdere keren zijn aangesteld (Michels, Beenhakker, Zwartkruis). Waar de Duitsers gemiddeld gedurende ruim 9 jaar een vaste bondscoach hebben, met een duidelijk te herkennen structuur en logische lijn vanuit het verleden, is de ‘levensverwachting’ van een Nederlandse bondscoach gemiddeld slechts twee jaar!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *